VAN FRISII TOT FRYSLAN


Land van water, wolken en wind




Al vòòr onze jaartelling bewoonden Friezen grote delen van N.W. Europa. De eerste keer, dat in de geschreven geschiedenis over de Friezen wordt gesproken, in in het jaar 12 voor Christus. De Romeinse veldheer Drusus was door keizer Agustus opgedragen, een veldtocht naar Noord-Europa te organiseren. Hij sloot toen een verbond met de Batavieren en een ander volk dat hij, vanwege hun gekrulde haardracht, de Frisii noemde. Keizer Nero kwam in 59 na Christus in kontatkt met twee Friezen, Mallorix en Verritius, die naar Rome waren gekomen, om verlaging van de belasting op koeienhuiden te vragen.

Omstreeks 600 na Christus was Friesland geografisch veel groter dan nu. In de tweede helft van de zevende eeuw, toen de Friese koning Aldgillis (623-680) regeerde, omvatte het Friese rijk het grondgebied, dat gelegen was tussen het Zwin in Vlaanderen en de Weser in Duitsland. Ook de huidige provincies Zeeland, Utrecht, Noord- en Zuid Holland, Fryslan, Groningen, de kuststrook in Noord-Duitsland en Zuid-Denemarken waren onderdeel van het toenmalige Friese Noordzeerijk.

Daarna duurde het geruime tijd, voordat Friesland opnieuw op het wereldtoneel verscheen. In 754 na Christus landde de Engelse bisschop Bonifatius op de Friese Kust. Deze wilde zijn geloof verder over Europa verspreiden. Hoe het met hem is afgelopen staat in onze geschiedenisboeken. Samen met 52 volgelingen werd hij nabij Dokkum op wrede wijze vermoord. Het standbeeld van Bonifatius dat in Dokkumg staat, toont hem met een bijbel boven zijn hoofd. Op deze wijze heeft hij namelijk destijds geprobeerd aan zijn zekere dood te ontkomen.

Omstreeks het jaar 900 is Friesland een land van vooral water en terpen. De meeste van de kunstmatige woonheuvels, hebben door regelmatige ophogingen een hoogte van twee tot zeven meter bereikt. De terp van Hogebeintum spant met een hoogte van bijna negen meter de kroon. In Friesland zijn meer dan 900 terpen geteld. In verhouding woonden er op de terpen, die de bewoners tegen het water moesten beschermen, veel mensen. Historici stellen zelfs, dat ze de grootste bevolkingsdichtheid van ons land hadden. Men schat, dat dertigduizend Friezen in het jaar 900 het vruchtbare land bewoonden.

"Vrieslant" was verdeeld in drie regio's, die men gouwen noemde. Deze regio's waren; Westergo, oostergo en Zevenwolden. Het was economisch een rijk land. Dat kwam vooral omdat de bewoners veel vee in eigendom hadden. Dat leverde huiden, leer, perkament, wol en botten voor gebruiksvoorwerpen op. Ook werd in dat tijdvak de grondslag voor de zeevaart gelegd. Zo is het bekend, dat de friezen de veldtochten van Karel de Grote in 789 tegen de Slaven op de Elbe en in 791 de Avaren, waarschijnlijk op de Donau, met schepen ondersteunden. Stavoren was al een plaats van betekenis in 991, toen het door de Noormannen werd geplunderd.

Friesland heeft, zolang het bestaat, altijd een strijd tegen het water moeten voeren. Nadat eerst de terpen waren opgeworpen voor een veilige bewoning van het kustgebied, werden daarna de dijken aangelegd. oude Kronieken vermelden, dat er regelmatig sprake was van fatale overstromingen. Centraal bij de strijd tegen het water stond na 1100 de inpoldering van de Middelzee. Daarbij speelde de geleidelijke verhoging van de zeespiegel een rol. ook de kwelders en het zuidelijke deel van de Lauwerszee (Gerkesklooster 1240) werden aangepakt. Vanzelfsprekend werden ook de zeedijken niet vergeten. Deze waren zeer belangrijk voor friesland, zodat ze vaak liefkozend als de "Gouden Hoep" werden aangeduid

Het wapen van Friesland dateert uit 1499. In navolging van veel buurlanden werden twee gaande leeuwen gekozen. in de wapenkunde is een leeuw het toonbeeld van grootmoedigheid en dapperheid en tevens van vorstelijke macht. Naast de twee leeuwen sieren zeven goudkleurige turven het blauwe schild. Deze symboliseren de zeven Friese zeelanden uit de vroege Middeleeuwen, welke samengingen in een verdedigingsverbond tegen de Noormannen. De Friese vlag, met de zeven rode bladen van de waterlelie (pompeblêfrm) en zeven schuine banen (vier blauwe en drie witte), dateert ook uit die periode. Evenals het wapen herinnert de vlag ook aan de zeven Friese zeelanden.

In de eerste helft van de zestiende eeuw is er sprake van een overgangsfase. Nieuwe uitdagingen werden aangegrepen voor de komende eeuwen. Walvisvaart, handel, zeevaart en veeteelt waren belangrijke bronnen van bestaan. De Friese steden, elf in getal, profiteerden na 1550 van de economische opgang. De totale bevolking , van wat we nu de provincie Fryslân noemen, bedroeg toen vijf en zeventijgduizend, in het herdenkingsjaar 1998 wonen er acht maal meer.

De in Europa in gang gezette Reformatie miste ook in Friesland zijn effecten niet. Een in Witmarsum geboren boerenzoon, Menno Sumons (1496-1561) genaamd, vervulde een belangrijke rol in de kerkelijke onrust. Hij begon zijn loopbaan als vicaris in Pingjum, vier kilometer van zijn geboortehuis. In 1536 verliet hij de Rooms-Katholieke kerk. Menno Simons sloot zich aan bij de Dopersen. In 1539 schreef hij zijn boek:Fundament des Christelijcken Leers. Hij is de enige Nederlandse kerkhervormer, die over de gehele wereld 'nakomelingen bezit', die veelal Monnonits, Mennisten of Quakers worden genoem. Bus- en vliegtuigladingen volgelingen komen uit alle windstreken van de wereld ieder jaar opnieuw naar Friesland. Ze bezoeken dan vooral zijn monument in Witmarsum en het unieke Doopsgezinde kerkje in Pingjum. De laatste jaren zijn het naast Amerikanen vooral Doopsgezinden uit Oost Europa, die de pelgrimstocht ondernemen naar de 'roots' van miljoenen geloofsgenoten.

In het jaar 1555 maakte de beschaafde westerse wereld kennis met een tweetal specifieke Friese eigenschappen: moed en standvastigheid. Op 25 oktober aanvaardde Filips de Tweede het bestuur over de Nederlanden. Tijdens de inhuldiging knielden alle genodigden met uitzondering van die uit Friesland. Gemme van Burmania, een edelman, bleef staan. Hij .lichtte dit voorval toe met de legendarische woorden:"Wij, Friezen, knielen alleen voor God".

De geschiedschrijver Sibrandus Leo (1529-1583) kreeg zijn opleiding op de Latijnse en een kloosterschool. Zijn uit 1579 daterende landkaart van friesland is één van de eerste betrouwbare kaarten. Het origineel van deze kaart is te vinden in het Fries Museum te Leeuwarden.

De in 1585 geschite universiteir in Franeker omvatte vier faculteiten. Het "Friese Athene" zoals Franeker toendertijd werd genoem, had vele prominente studenten binnen haar poorten. De later wereldberoemde filosoof en wiskundige René Descartes en Peter Stuyvesant, eens gouveneur van Nieuw Nederland (nu New York), zijn er een ppaar van. Op haar hoogtepunt trok ze studenten uit geheel Europa aan. Maccovius, een bekende hoogleraar in de theologie, was een zwager van de schilder Rembrandt. Diens eerste vrouw Saskia was afkomstig uit Friesland. Helaas bezegelde een pennestreek van keizer Napoleon op 22 oktober 1811 de abdrupte sluiting van de Fries Alma Mater.

In de zeventiende eeuw werd in Friesland veel aandacht besteed aan wat we tegenwoordig infrastructuur noemen. Door het aanleggen van een uniek stelsel van waterwegen, waarin de trekschuit een belangrijke rol speelde, bloeide Ït Heitelân" op. Als enige republiek in het noorden had Friesland een eigen vloot. De admiraliteir, die vanaf 1597 in Dokkum gevestigd was, werd na 1645 naar Harlingen verplaatst, omdat het Dokkumer diep dichtslibde. In cultureel opzichtgaf de Bolswarder dichter en onderwijzerGysbert Japicx (1603-1666) de volkstaal een enorme injectie. Hij verrijkte de Friese literatuur met zijn bijdragen. Zijn vader was burgemeester van Bolsward. In het fraaie renaissance-stadhuis is van senior nog een fraai houtsnijwerk te bewonderen. Het stadhuis geldt als een voorbeeld van het noordelijke maniërisme.

Bijgeloof en vooroordelen zijn moeilijk te bestrijden. Deze twee werden de grondslag voor een unieke prestatie. De voorspelde samenstand van vier planeten met de maan in het sterrenbeeld Ram op 8 mei 1774 was alom reden voor paniek. Pessimisten oordeelden zelfs, dat op die dag de wereld zou kunnen vergaan. De Franeker wolkammer Eise Eisinga, een amateur sterrenkundige, besloot een planetarium te bouwen. Daarmee kon hij aantonen, dat de wildwest verhalen die in de omloop waren, niet klopten. In zijn grachtenhuis in Franeker bouwde hij eigenhandig tussen 1774 en 1781 wat nu het oudste planetarium ter wereld is. Moderne wetenschappen hebben, meer dan twee eeuwen later, nog altijd grote bewondering voor dit pronkstyk, datbeen trekpleister is voor Franeker.

Het vrijheidsstreven, dat diepgeworteld is in de ziel van de Friezen, kwam in 1782 opnieuw tot uiting. Als eerste ter wereld erkende friesland de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van noord Amerika, in die dagen een riskante en een vooruitstrevende daad. In het Provinciehuis in Leeuwarden hangt aan één van de moren nog een in 1909 geschonken gedenkplaat afkomstig uit Amerika, die deze daad levend houdt.

Onlangs werd ontdekt, dat het Friese volkslied door twee auteurs is geschreven. Jarenlang ging Eeltsje Halbertsma (1797-1858) huisarts in Grou, als enige tekstdichter door het leven. Sinds kort moet hij de eer delen met Jacobus van loon (1821-1903), een steenfabrikant van beroep. De melodie is waarschijnlijk afkomstig uit duitsland. Dokter Eeltsje studeerde in Leiden en heidelberg en hoorde daar het studentenlied 'Vom hoh'n Olymp'. Eén van de eerste keren dat het werd uitgevoerd in 1875 in Grou was een herdenking en daarbij werd "De âlde Friezen" gezongen. De aanwezigen ervoeren het toen als een soort nationale hymne en daarna werd het populair als "It Frysk Folksliet".

Frysk bloed tsjoch op! Wol no ris brûze en siede,
En bûnzje troch myn ieren om.
Flean op! Ik sjong it bêste lân fan é ierde
It Fryske lân fol ear en rom
Klink dan, en daverje fier yn it rûn
Dyn âlde eare, o Frysk grûn.

Het eerste grote sportevenement in ons land speelde zich af op 1 en 2 februari 1805 op het ijs in Leeuwrden. "Eene luisterrijke vrouwen schaatsen rijdpartij", trok 130 deelneemsters in de leeftijd tussen 14 en 51 jaar. De kostbare hoofdprijs: een gouden oorijzer ter waarde van honderd en vijf gulden was in die dagen een kapitaal. Tussen de tien en twaalf duizend toeschouwers waren op beide dagen naar dit ijsfestijn gekomen. De hoofdprijs werd gewonnen door trijntje Pieters, twintig lentes oud.

Friesland was na de Franse overheersing tot aan 1900 een overwegend agrarische gemeenschap. Industrie was er nauwelijks en langs de gehele Wadden- en Zuiderzeekust werd visserij beoefend. De ideale binnenwaterwegen lagen ten grondslag een het 'skûtsjesilen". De eerste maal dat melding wordt gemaakt dat vracht- en beurtschapen elkaar bekampten, was in 1820 nabij Oudeschouw. Het skûtsje (letterlijk: schuitje) is een vrachtschip met een inhoud van 30 tot 50 ton met roeg en zwaarden en met een ronde kop. Na de eeste Wereldoorlog leek het er geruime tijd op dat deze traditie zounverdwijnen. Particulier initiatief in 1926 zorgde voor een nieuwe impuls. Na 1950 volgde een nieuwe neergang. Gelukkig werden er daarna verenigingen en stichtingen gevormd, die ervoor zorgden dat diverse schepen voor de traditionele seilsport konden worden behouden. Nu houden twee overkoepelende organistaies diverse wedstrijden met de varende monumenten. Het skûtsjesilen is uitgegroeid tot één van de grote toeristische trekpleisters in ons land.

Om een misverstend weg te nemen: Friesland is niet de bakermat van het kaatsen. In diverse andere gebieden van Europa zoals o.a. het baskenland, ierland, italie, Belgie en Franrijk werd en wordt deze sport eveneens beoefend. De eerste variant van het huidige kaatsen wordt teruggevonden in de landen rond de Middellandse Zee. Omstreeks de eeuwwisseling kende ons land nog vier regio's waar gekaatst werd; het Westland, het gooi, West Friesland en het N.W. van Fryslân. Alleen in de laatste regio heeft het kaatsen zich tot nu toe kunnen handhaven. De PC wedstrijd een kaatsklassieker sedert 1854, wordt gespeeld op het Sjûkelan in Franeker. Uit alle windstreken komen dan friezen naar "It Heitelân" om dit toernooi, waarvan de kaarten al maanden tevoren zijn uitverkocht, bij te wonen.

Twee grote waterstaatkundige werken veranderden in de eerste helft van de vorige eeuw het gezicht van Fryslân. Het aanleggen van de Afsluitdijk(1932) en het inpolderen van de Noord-Oost-Polder (1942) betekenden een verrijking van de infrastructuur. Het westen en midden van ons land werden hierdoor vanuit Fryslân binnen een uur bereikbaar.

De elfstedentocht. De passie om de elf steden van Friesland binnen een etmaal op de schaats te bezoeken, is al eeuwenoud. De eerste keer dat schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven, dateert uit het jaar 1749. Van een inwoner van Bolsward wordt verteld"'t Is Pier die de ellef Steden van Friesland, op een dag, heeft in het rond gereden." Vooral in de tweede helft van de negentiende eeuw wordt van talrijke geslaagde tochten gewag gemaakt. Pim Muller, een in het Friese Witmarsum geboren burgemeesterszoon, kan men als de grondlegger van de moderne Elfstedentochten zien.Hij voltooide op 21 december 1890 in 12 uur en 55 minuten het gehele traject. Muller drong in 1908 aan, om deze schaatstocht in een permanente organisatievorm te gieten. Mr. dr. Evert Hepkema, een advocaat, pakte die draad op. Hij werd de grote promotor en dankzij zijn inzet werd op 15 januari 1909 in het Oranje-hotel in Leeuwarden de vereniging "De Friesche El Steden" opfericht. Vanaf 1909 zijn er vijftien officiele Elfstedentochten uitgeschreven. Op 4 januari 1997 werd de vijftiende elfstedentocht verreden. Dit ijsfestijn werd een onvergetelijk sportevenement.

Bron: Folder Sonnema Berenburg